Lees het eerste hoofdstuk van Henriëtta met bijpassende muziek…

Proloog

Het jaar 2542!

We ontmoeten Henriëtta op een plaats waar het heden, verleden en de toekomst samenkomen in een onvergetelijk epos over armoede en rijkdom, hoop en wanhoop, liefde en haat.

Waar fictie en werkelijkheid hand in hand door de straten van Beacondale wandelen.

Vergezel haar mee op deze reis, deze zoektocht naar een mogelijke toekomst!

Hoofdstuk 1

Henriëtta staarde met een vastberaden blik tegen de metershoge muur op. Het leek een onmogelijke opdracht erover te klimmen maar ze zou Henriëtta niet zijn als ze zich door iets schijnbaar onmogelijks liet ontmoedigen. De natuurstenen muur straalde een blauwachtige gloed uit. Henriëtta probeerde met de wijsvinger van haar rechterhand de muur aan te raken maar trok onmiddellijk haar hand terug.

Ze vloekte binnensmonds.

De muur was ijzig koud, zo koud zelfs dat ze het topje van haar vinger verbrandde bij de lichtste aanraking. Ze trok een pijnlijke grimas, terwijl ze haar vinger in haar mond stak in een poging de pijn eruit te zuigen. Dit lukte niet bijster goed maar Henriëtta was wel meer pijn gewend. Haar bruingebrande gezicht zat onder de modder en de schrammen van het ploeteren door velden en bossen. Haar lange donkerbruine haar hing in dreadlocksachtige klitten over haar schouders. Ze was niet echt groot maar wel erg lenig waardoor ze hierbij in het voordeel was. Voor haar zestien jaar was ze vroegrijp en sterk voor haar leeftijd maar dat waren alle meisjes uit haar dorp. Het was geen gemakkelijk leven maar Henriëtta bezat iets wat de anderen niet bezaten. Doorzettingsvermogen, discipline en intelligentie waren haar tweede naam en Henriëtta had zich een doel gesteld.

Ze richtte haar aandacht weer op de muur die voor haar ogen opdoemde. Ze moest en zou dit magische bastion doorbreken en de geheimen die erachter schuilgingen onthullen. Ze ging op zoek naar een zwakke plek in het bouwwerk maar leek er geen te kunnen vinden. Ze liep langs de muur in oostelijke richting terwijl het maanlicht op het grote, donkere bos scheen dat ze zojuist achter zich had gelaten.

Op de grond vond ze een stevige tak. Ze nam die in haar met modder besmeurde handen en begon er het cement rond een gigantische steen mee los te peuteren.

Beetje bij beetje liet het verharde cement in wolkjes stof los en het leek erop dat ze uiteindelijk in haar opzet zou slagen.

Donkere ogen staarden haar vanuit het bos aan maar de aandacht van Henriëtta was te zeer op haar missie gericht om daar iets van te merken.

Na uren prutsen en peuteren vielen haar ogen haast dicht van de slaap. Ze wist dat ze weg moest bij de muur vooraleer de zon opkwam maar ze was vastbesloten. Ze zou naar deze plek terugkomen!

Henriëtta markeerde de plek door de tak horizontaal tegen de muur te leggen. Daarna trok ze zich geruisloos in het bos terug.

Het bos straalde iets uit wat Henriëtta beangstigde. Het leek alsof elke boom en elke plant een eigen leven leidden en haar bespiedden. Als er op dat moment levende wezens in het bos aanwezig waren, dan lieten ze zich niet zien.

Henriëtta holde zo snel ze kon in de richting van Beacondale, haar dorp en na tien minuten kwam ze aan een open ruimte. Ze hapte naar adem.  Ze was blij dat ze het bos achter zich kon laten. Ze vertraagde haar pas en wandelde door de korenvelden verder.

De zon kwam in een rode gloed vanachter de horizon tevoorschijn en vatte haar lange dagtaak aan. Na vijf kilometer kon Henriëtta in het dal onder zich haar dorp zien liggen.

Kleine lemen huisjes met rieten daken stonden kriskras door elkaar. De modderige straten boden een troosteloze aanblik.  Het wasgoed van de dorpelingen hing langs de straten te drogen. Zover het oog kon reiken werd Beacondale omringd door koren- en maïsvelden. In de verte was nog net het enorme, rechthoekige landhuis van de familie de Castilie te ontwaren, omringd door een indrukwekkende tuin en dito bos.

Het dorp was in de gloed van de dageraad tot leven gekomen. Zijn bewoners, gehuld in wollen lompen, sjokten lusteloos door de modderige straten om op de velden aan hun zware dagtaak te beginnen.

Henriëtta liep langs een stenen pad in de richting van het dal tot aan het huisje van haar ouders. Haar vader en moeder waren nergens te bespeuren.

Ze ging de kleine leefruimte binnen, opende de provisiekast en zag nog een oude homp brood op de planken liggen. Ze pakte hem op en nam een grote hap die ze lang bleef kauwen. Na het eten ging ze op de strozak liggen, die in de linkerhoek bij de haard lag en sloot haar ogen. Na een paar tellen viel ze in een diepe, droomloze slaap.

Toen Henriëtta haar ogen opende stond de zon hoog aan de hemel. Henriëtta rekte haar stramme spieren uit en geeuwde met wijd open mond. Ze stond op en plensde wat water in haar gezicht uit een ijzeren teil die op een geïmproviseerd dressoir in de hoek van de leefruimte stond. Ze huiverde toen ze het ijskoude water in haar gezicht voelde. Op dat moment zag ze twee ogen vanuit de hoek naar haar staren. Haar zes jaar jongere broertje, Wolf, keek haar aan.

“Waar heb jij gezeten?” vroeg hij.

“Dat gaat je niets aan.” repliceerde Henriëtta boos.

“Mama en papa waren heel boos toen ze merkten dat je weg was. Je zult het mogen voelen straks als ze thuiskomen.”

Henriëtta slikte even maar vermande zich toen weer. “Ik heb niets verkeerd gedaan.”

“Ja, dat zul je straks aan hen mogen uitleggen,” antwoordde Wolf met een valse grijns op zijn gezicht. Henriëtta negeerde haar broer en staarde naar de berg was op de vloer. Ze vloekte, ze had haar moeder moeten beloven alles vandaag nog te wassen.

Ze nam de berg lompen in haar armen, griste een stuk zeep mee en sjokte ermee naar buiten in de richting van het grote meer, gelegen op vijf kilometer van Beacondale. De aanwezige dorpelingen keken haar vuil na maar Henriëtta trok zich daar niets van aan. Ze was de rebel van het dorp en was er intussen aan gewend geraakt dat iedereen over haar roddelde.

Als ze eens wisten waar ik me ’s nachts mee bezighoud, dacht ze geamuseerd.

Twee kleine meisjes liepen even met haar mee, wezen naar haar en lachten haar uit maar Henriëtta negeerde hen, waardoor ze hun pogingen haar te tergen snel opgaven.

Bij het meer liet ze de hoop lompen op de keien vallen en zuchtte. Ze had een hekel aan de was maar haar ouders werkten zo hard in de velden voor hun hongerloontje dat ze hier geen tijd voor hadden. Henriëtta was als oudste dochter van het gezin verantwoordelijk voor alle huishoudelijke taken en hoewel ze er een hekel aan had, morde ze er nooit over in het bijzijn van haar ouders. Ze nam het eerste kledingstuk van de hoop, zeepte het in en wreef ermee over de keien.  Tijdens deze uiterst saaie karwei liet ze haar gedachten de vrije loop. Ze droomde ervan haar trieste bestaan achter zich te laten en op te klimmen naar de hoogste rangen van de maatschappij. Ze wist alleen niet hoe maar iets diep in haar vertelde haar dat de verwezenlijking van haar droom zich achter de muur bevond.

Ze werd opgeschrikt uit haar dagdromen door een oudere vrouw die vanuit de andere richting naar het meer liep. Henriëtta had de vrouw nog nooit gezien. Ze had grijzend, achterovergekamd haar dat in een dotje op de achterkant van haar hoofd was vastgemaakt. Henriëtta schatte dat ze een jaar of vijftig was. Ondanks haar sjofele kledij had ze toch een fiere blik in haar ogen en straalde ze een waardigheid uit die Henriëtta nog nooit eerder had gezien. De vrouw keek Henriëtta vriendelijk aan, knikte even en ontfermde zich toen over de was, die ze had meegebracht. 

Ondanks het feit dat de vrouw haar tijdens haar werk bleef aankijken zonder een woord te zeggen, voelde Henriëtta zich daardoor niet ongemakkelijk. Telkens wanneer ze haar richting uitkeek, knikte de vrouw haar vriendelijk toe. Dat was Henriëtta niet gewend maar de oudere vrouw kwam bij haar alles behalve bedreigend over, waardoor ze steeds vriendelijk terug knikte. Ze had echter geen behoefte aan een gesprek met de dame en de dame leek die behoefte ook niet te hebben.

Toen Henriëtta klaar was met de was, stond ze recht en mompelde ze.

“Tot ziens?”

“Zeker en vast” antwoordde de dame en glimlachte haar opnieuw vriendelijk toe.

Henriëtta begreep dit antwoord niet maar besloot er verder geen aandacht aan te besteden.

Terwijl ze de lange weg naar huis aflegde, dagdroomde ze opnieuw over haar muur. Hààr muur vol geheimen, dacht ze.

Toen ze thuiskwam was haar moeder er al. Henriëtta hing de was buiten op en stapte ietwat onzeker naar binnen maar als haar moeder al iets wist liet ze hier in ieder geval niets van merken.

“Dag Henriëtta, meisje, dank je wel om de was te doen,” zei ze vrolijk. Ze pakte Henriëtta stevig beet en gaf haar een kus op haar kruin.

Henriëtta zuchtte van opluchting maar aangezien ze met haar zestien te oud was geworden voor dit soort geknuffel, trok ze zich uit haar moeders omhelzing terug.

“Mama!” zei ze, “ik heb gewoon mijn plicht gedaan.”

Haar moeder glimlachte om haar dochters afwijzing. Ze was in een uiterst goed humeur.

“Sandro heeft een varken geslacht en we hebben wat kunnen kopen. Vanavond eten we vlees. Is dat niet fantastisch?”

Haar moeder zei het op zo’n opgewekte manier dat Henriëtta wel moest glimlachen en haar moeder enthousiast omhelsde.

Het was een feest op zich voor de arme mensen uit Beacondale dat ze vlees konden eten.

Zouden ze dat aan de andere kant van de muur ook hebben? Vroeg Henriëtta zich af. Ja, natuurlijk wel. Wat een vraag. Voor hen was dit vast dagelijkse kost.

“Help je me even met vuur maken?” vroeg haar moeder.

Henriëtta haalde houtblokken uit het schuurtje achter hun huis en bracht ze naar binnen, waarop haar moeder het vuur in de haard aanmaakte.

Haar vader kwam even later met een stralende glimlach en een groot stuk vlees trots het huis binnengewandeld. Ook hij was in een opperbest humeur. Wolf volgde in zijn kielzog en keek fier op naar zijn vader terwijl die het pak aan moeder overhandigde.

Moeder haalde een rooster voor speciale gelegenheden tevoorschijn en legde het daarop in het vuur. Het spetterde en de heerlijke geur van gebraden vlees vulde het kleine huis.

“Mijn kleine Henriëtta,” zei haar vader plagend en wreef haar over haar bol.

“Papa!” repliceerde ze lachend, terwijl ze zich terugtrok, haar vader lachte met haar mee.

“Mijn dochter wordt een grote, zelfstandige meid,” zei hij trots.

“Jij zult je eigen leven leiden, meid. Ik weet dit al van toen je nog een heel klein meisje was. Het leven van de dorpelingen is te klein en te beperkt voor jou. Je hebt de moed van een tijger en de kracht van een paard. Leef jouw leven, mijn kind en doe wat je hart je ingeeft.”

Henriëtta schrok van deze woorden. Wist haar vader iets? Keurde hij haar nachtelijke uitstapjes naar de muur goed?

Ze keek hem onzeker aan maar hij glimlachte haar enkel toe.

“Het eten is klaar!” zei moeder stralend.

Onder het eten genoten ze met zijn allen zo erg van de delicatesse dat er niet gesproken werd. Het vlees smaakte heerlijk in tegenstelling tot de hompen oud brood die ze gewoonlijk aten. Het was zacht en sappig en moest qua smaak niet onderdoen voor de heerlijke geur die het braden ervan in het huisje had verspreid.

Na het eten likten ze tevreden hun vingers af en gingen met een volle maag achterover zitten in de strozakken die ze als stoel gebruikten.

Henriëtta geeuwde voldaan.

“Ga maar slapen, kind,” zei haar vader.

“Je hebt een zware dag achter de rug.” hij knipoogde.

Henriëtta keek hem opnieuw onzeker aan. Het was de eerste keer dat haar vader iets liet blijken van het feit dat hij van haar nachtelijke uitstapjes op de hoogte was.

“Ja, Henriëtta, ga maar slapen als je moe bent.” zei haar moeder.

“Je hebt hard gewerkt vandaag en hebt je rust meer dan verdiend. Wij ruimen alles wel af. Wolf, ruim jij de tafel af? Dan ga ik afwassen.”

Wolf keek Henriëtta vuil aan terwijl ze zich op haar strozak vlijde en in een diepe slaap wegzakte.

Toen Henriëtta weer wakker werd, was het al middernacht en waren Wolf en haar ouders diep in slaap. Haar vader snurkte luid. Behoedzaam om niemand wakker te maken, stond ze op en sloop zo stil als ze kon naar buiten.

Gesterkt door het avondmaal keerde ze terug naar haar muur. Ze zocht de plek die ze gemarkeerd had weer op.

Plots zag ze iets vreemds.

In de muur was een klein cirkeltje met een diameter van ongeveer tien centimeter te zien die een rode gloed leek uit te stralen, omringd door de blauwe, ijskoude sfeer die het ganse bastion in zijn greep hield. In het midden van het rode cirkeltje zat een rolletje perkament. Henriëtta naderde de plaats behoedzaam en struikelde haast over de dikke tak die ze de avond tevoren nog had gebruikt om de plaats te markeren waar ze in de muur had gegraven. Toen ze haar evenwicht terug had gevonden, pakte ze voorzichtig het rolletje perkament uit de rode cirkel. Onmiddellijk maakte de rode gloed plaats voor de blauwe ijskoudheid van het omringende. Ongelovig keek ze naar het rolletje in haar hand. Wat was dat?

Ze rolde het papiertje open en zag in een sierlijk handschrift in rode, glinsterende, schijnbaar lichtgevende inkt iets geschreven staan.

Henriëtta vloekte binnensmonds. Wat had ze hieraan? Ze had nooit leren lezen.  Als iemand haar wilde helpen, dan moest die toch beseffen dat de kennis van het lezen en schrijven niet aan haar soort was besteed. Als mensen als zij leerden lezen en schrijven werd dit als een grote misdaad beschouwd en met de dood bestraft. Lezen en schrijven was het privilege van diegenen aan de andere kant van deze vervloekte muur.

Gefrustreerd klopte Henriëtta op de muur. Een scherpe pijn sneed door haar hand.

 “Verdorie, ook dat nog,” vloekte ze. Het perkament viel uit haar handen.

Ze pakte het op en bestudeerde het nog eens nauwgezet. De inkt, die eerst rood was geweest, lichtte nu groen op. Henriëtta keek er ongelovig naar en zocht naar een verklaring voor het onverklaarbare fenomeen. Ze had de Burgasi wel vaker onverklaarbare dingen zien doen maar dit was nieuw voor haar. De groene letters werden stilaan blauw. Henriëtta fronste haar voorhoofd. Ze draaide het perkament om en om in de hoop een aanwijzing te vinden.

Welke Burgasi, want dit bericht kwam duidelijk van een Burgasi, wilde haar helpen? Hield iemand haar in de gaten? Had de dame aan het meer hier iets mee te maken?

Ze staarde naar het bos achter zich in de hoop dit mysterie op te lossen maar het donkere woud weigerde zijn geheimen aan haar prijs te geven. Haar gevoelens van frustratie en onmacht werden haar teveel en ze schreeuwde het uit. In het bos achter haar vlogen vogels verschrikt op. Henriëtta besefte nu dat ze te ver was gegaan en dat diegenen aan de andere kant van de muur haar geschreeuw waarschijnlijk wel gehoord hadden. Ze propte het papiertje in haar zakken en vluchtte het bos in. Ze zou later wel terugkomen om met deze verdoemde muur af te rekenen.

Lucas geeuwde met wijd open mond en rekte zich uit. Hij glipte uit het grote hemelbed en begaf zich naar de manshoge spiegel naast zijn slaapkamerdeur. Hij keek in de hemelsblauwe ogen van zijn spiegelbeeld en knikte goedkeurend.

Hij was op alle vlakken superieur aan de andere leden van de rijke Burgasi-klasse waartoe hij behoorde en daar was hij zich ten volle van bewust. Hij hield trots zijn kin in de lucht en wreef met zijn slanke, blanke hand door zijn dikke donkerbruine haar. Met zijn zeventien jaar was hij geen kind meer maar ook nog geen volwassene. Zijn toekomst als enige zoon van een erg invloedrijke en bemiddelde landheer zag er veelbelovend uit.

Hij hoorde gestommel in de gang. Hij liet een vluchtige blik op zijn horloge glijden en vloekte binnensmonds. Zelfs voor iemand als hij waren er regels.

Hij hoorde iemand met veel geweld de gang in stormen. Toen werd er zo hard op Lucas’ deur gebonsd dat het leek alsof de hele kamer op zijn grondvesten daverde. Een jongensstem aan de andere kant van de muur riep hem tot de orde.

“Lucas, komaan. We komen te laat.”

Een ongeduldig gebons volgde op deze simpele mededeling.

“Ik kom er zo aan.” repliceerde Lucas.

Hij ging even met zijn hand door zijn haar en sprong ongewassen in zijn kleren. Voor een keer moest het dan maar.

Hij gooide zijn kamerdeur open en stapte met opgeheven hoofd de gang in.

Nicolas, zijn beste vriend grijnsde hem breed toe toen hij naar hem keek.

“Jongen, jij komt zwaar in de problemen.”

Lucas haalde zijn schouders op, gromde iets onverstaanbaars en volgde Nicolas toen nonchalant de gang uit.

Toen ze in de grote eetzaal kwamen, bleek iedereen er al te zijn. Professor Ahmedes, het schoolhoofd, keek beide jongens streng aan maar zei niets. Hij richtte zijn aandacht weer op zijn copieuze ontbijt.

Dit was voor de twee vrienden uitnodiging genoeg om op hun vaste plaatsen te gaan zitten.

Het ontbijt was enorm uitgebreid en bestond uit verschillende soorten fruit, granen, brood, kaas en dranken.

Professor Ahmedes stond plots recht en maande de leerlingen tot stilte. De oudere man werd door de leerlingen zo erg gerespecteerd dat opstaan en even in het rond kijken voor hem voldoende was om hen tot stilte te manen.

Het werd muisstil in de grote eetzaal.

Professor Ahmedes kuchte even en begon toen te spreken.

“Vorige nacht hebben enkele leerlingen en professoren een schreeuw gehoord aan de buitenkant van de muur.”

De leerlingen keken elkaar aan. Er klonk geroezemoes. Sommigen knikten ten teken dat ze het ook hadden gehoord. Anderen keken verwonderd en schudden hun hoofd.

Professor Ahmedes kuchte opnieuw. Het werd weer muisstil.

“Daarom hebben we besloten dat er ’s nachts een wacht moet worden opgesteld aan de buitenmuren. We zullen deze uiterst belangrijke taak toevertrouwen aan onze laatstejaars.

Lucas en Nicolas, omdat jullie vandaag te laat waren voor het ontbijt mogen jullie vannacht de spits afbijten.”

Nicolas keek zijn beste vriend vuil aan en antwoordde toen met tegenzin.

“Ok professor!”

Die knikte tevreden.

Toen richtte het schoolhoofd zijn aandacht opnieuw op alle leerlingen.

“Als iemand van jullie enige verdachte activiteiten of geluiden waarneemt aan de andere kant, moeten jullie mij of één van jullie professoren hier onmiddellijk van op de hoogte brengen. De beveiliging van onze grenzen is van het grootste belang voor het voortbestaan van onze school. Ze moeten dus met alle mogelijke middelen verdedigd worden.”

Opnieuw klonk er geroezemoes in de zaal. Professor Ahmedes had gezegd wat hij moest zeggen en ging weer zitten.

Henriëtta volgde de lange weg terug naar huis en bleef zich afvragen wat het perkamentje te melden had. Ze kende niemand die het voor haar kon ontcijferen en dat frustreerde haar. Diegene die haar om wat voor reden dan ook wilde helpen had een vreemd gevoel voor humor, dacht ze spijtig. Het was wreed haar aanwijzingen te geven, wetende dat ze hier niets aan had.

Het was net zoiets als een ezel aan een lange stok een wortel voorhouden om hem te doen lopen.

Maar dit was erger.

Veel erger!

Moest ze de oudere dame opzoeken die ze gisteren aan het meer had gezien? Ze had iets over zich gehad wat Henriëtta intrigeerde. Ze was sjofel gekleed geweest, net als alle andere mensen die ze kende uit haar dorp maar het had geleken alsof ze zich met opzet vuil had gemaakt om er als een Bakoeni uit te zien en bovendien hadden haar houding, blik en voorkomen edele trekken, die een hogere afkomst verraadden.

Was ze een Burgasi?

En als ze een Burgasi was, waarom liep ze dan zo gekleed en deed ze de was, net als de Bakoeni in het meer?

Bespioneerde ze Henriëtta?

Dit was een mogelijke verklaring die Henriëtta even deed blozen. Stel je voor, dacht ze, een Burgasi die me bespioneert en een Burgasi die onmogelijke aanwijzingen voor me achterlaat. Of misschien gaat het hier wel over één en dezelfde Burgasi.

Henriëtta pijnigde haar hersenen maar hoe meer ze nadacht en allerlei scenario’s in haar hoofd vormde, hoe onwaarschijnlijker ze werden.

Henriëtta besloot een paar uren te gaan slapen en daarna op zoek te gaan naar de oudere dame. De kans dat ze bij het meer zou zijn was heel klein omdat Henriëtta haar daar nooit eerder had gezien maar het was het proberen waard en misschien kon ze naar haar op zoek gaan in het bos van waaruit ze de vorige keer gekomen was.

De dame was haar enige kans om het perkament te ontcijferen, dacht Henriëtta. Ze was zo nieuwsgierig naar de inhoud van het schrijven dat ze bereid was iets te doen wat haar entourage als erg roekeloos en gevaarlijk zou bestempelen.


Ben je na het lezen van dit eerste hoofdstuk nieuwsgierig geworden naar meer? Laat je dan onderdompelen in de wondere wereld van Henriëtta en koop de boeken